Theoretisch kader
Depressie
Standaardverpleegplan Depressie bij de oudere patiënt
Probleem
Depressie
Etiologie
- Erfelijke belastbaarheid
- Persoonlijkheid; neurotische eigenschappen, geneigd zijn naar binnen te keren bij problemen en afhankelijkheid
- Chronische lichamelijke ziekte
- Pijn die niet goed onder controle is
- Andere psychische aandoening
- Lage opleiding
- Geen werk (daar is meestal sprake van bij ouderen)
- Weinig sociale steun of eenzaamheid
- Wonen in een stad
- Verlies van dierbare
- Slechte prognose
- Hersenmetastasen
- Hoofd-hals tumoren
- Pancreascarcinoom
- Hypercalciëmie
- Hypothyreoïdie
- Bijnierinsufficiëntie
- Syndroom van Cushing
- Mutilerende ingrepen
- Oncologische ulcera
- Radiotherapie zoals totale schedelbestraling
- Chemotherapie, met name vinblastine, vincristine, procarbazine, asparaginase
- Immunotherapie, met name interferon en interleukine-2
- Hormonale therapie, met name cyproteronacetaat
- Andere medicatie: o.a. corticosteroïden, opioïden, benzodiazepines, aciclovir
- Anders namelijk…………………………………..
Signalen en symptomen
- Depressieve symptomen gedurende vrijwel de hele dag, bijna elke dag (moet aanwezig zijn)
- Duidelijke vermindering van interesse in alle of bijna alle activiteiten (moet aanwezig zijn)
- Ongewenst gewichtsverlies of gewichtstoename
- Afname of toename van de eetlust
- Slaapklachten; teveel slapen of juist niet kunnen slapen
- Psychomotorische gejaagdheid of geremdheid
- Vermoeidheid of verlies van energie
- Gevoelens van waardeloosheid of schuldgevoelens
- Vermindering van het vermogen om te denken, zich te concentreren of besluiteloosheid
- Gevoelens van wanhoop
- Gedachten aan zelfmoord met of zonder specifieke plannen
- Anders namelijk……………………………………...
Interventies
Algemene interventies bij depressie
- Vraag bij vermoeden van een depressie aan de patiënt of hij nog interesse heeft in activiteiten die hij normaal gesproken leuk vind; of hij zich ook somber voelt.
- Bespreek je observaties ook met de familie. Zij kennen de patiënt goed en kunnen verandering in stemming meestal goed herkennen.
- Sluit uit dat de patiënt pijn heeft. Is daar sprake van dan moet eerst de pijn goed behandeld worden, omdat pijn een depressie of depressieve stemming kan veroorzaken.
- Schakel bij een vermoeden van een depressie een psychiater, geriater of psychiatrie-verpleegkundige in.
- Schakel bij een oudere patiënt ook zo nodig een geriater in om geheugenproblemen uit te sluiten.
- Bespreek de gevoelens van de patiënt, wees steunend.
- Probeer je niet mee te laten slepen door het depressieve gevoel van de patiënt.
- Maak een dagprogramma voor de patiënt. Patiënten zien vaak als een berg op tegen de dag en een gestructureerd programma maakt de dag behapbaar.
- Stel dit programma op in overleg met de patiënt, daarvoor kan onderhandeling nodig zijn.
- Probeer suïcidale gedachten in kaart te brengen. Ouderen plegen minder vaak suïcide, maar het lukt wel vaker.
- Als de patiënt antidepressiva voorgeschreven krijgt, observeer dan de bijwerkingen. Het effect van medicatie is meestal pas na 2 tot 4 weken merkbaar, bij ouderen kan dit zelfs nog langer duren. De bijwerkingen kunnen echter vanaf de start van de medicatie optreden.