Theoretisch kader

Immobiliteit

Immobiliteit bij ouderen kan snel leiden tot allerlei verstoringen in diverse lichaamsfuncties en de mate van zelfstandig functioneren in het algemeen dagelijks leven beïnvloeden. Wat wordt er eigenlijk precies verstaan onder immobiliteit oftewel een mobiliteitstekort?

Definities / kenmerken / karakteristieken
Mobiliteitstekort wordt omschreven als:
Een beperking in het onafhankelijk, doelbewust lichamelijk kunnen bewegen van het lichaam of van een of meer extremiteiten. Hierbij worden de volgende gradaties aangegeven:

0 = volledig zelfstandig
1 = heeft apparaat of hulpmiddel nodig
2 = heeft een ander nodig voor hulp, begeleiding, toezicht of instructie
3 = heeft een ander en een apparaat of hulpmiddel nodig
4 = volledig afhankelijk en neemt niet deel aan activiteiten (NANDA,1999)

Risicofactoren
Het is belangrijk om in de verpleegkundige anamnese na te gaan wat samenhangende factoren zijn van het mobiliteitstekort bij de oudere patiënt. Dit is belangrijk voor het gericht inzetten van interventies om het mobiliteitstekort te verbeteren en/of te stabiliseren en/of ter preventie van mogelijke valpartijen.
Vallen is een belangrijke oorzaak van de morbiditeit en mortaliteit bij ouderen. Een val kan ook leiden tot vermindering van de mobiliteit door de angst om wederom te vallen met als gevolg een toenemende afhankelijkheid van de omgeving.
In de CBO richtlijn ‘preventie en valincidenten bij ouderen’ (2004) worden een aantal conclusies getrokken uit literatuuronderzoek rondom vallen. De volgende risicofactoren voor vallen zijn wetenschappelijk aangetoond:

Gegevens verzamelen / Meetinstrumenten
Het spreekt voor zich dat verpleegkundigen in de anamnese bij deze risicofactoren zorgvuldig doorvragen en observaties doen zoals bloeddruk meten en samen met de fysiotherapeut de mobiliteit in kaart brengen.
Bij het vermoeden van een valrisico dient analyse plaats te vinden door een gespecialiseerd verpleegkundige geriatrie of een geriater. Indien verdere analyse van valrisico geïndiceerd is, is een verwijzing voor verdere screening binnen een valpolikliniek aan te bevelen. Bronnen: www.kennisnetwerkvalpreventie.nl en www.cbo.nl (CBO richtlijn: preventie en valincidenten bij ouderen, 2004, bijlage 1 Valevaluatie instrument)

Naast de gradaties die de NANDA geeft (zie definities) zijn er een aantal schalen, waarmee niet alleen de mobiliteit, maar ook de ADL (= Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen) of de IADL (= Instumentele Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen) in kaart kunnen worden gebracht. Deze zijn relevant binnen de oncologie, omdat ze voorspellend zijn voor het herstel. Artsen gebruiken vaak de Karnofsky schaal ter ondersteuning bij de beslissing tot wel of niet behandelen.

De meest gangbare schalen zijn:

Karnofsky Performance Scale (KPS)
100: Normaal, geen klachten, geen aanwijzingen voor ziekte
90: In staat tot normale activiteit, geringe verschijnselen
80: Normale activiteit met inspanning, enige verschijnselen
70: ADL zelfstandig, niet in staat tot normale activiteit
60: Heeft soms hulp nodig, goed zelfredzaam
50: Heeft veel hulp nodig en frequente medische verzorging
40: Invalide, speciale hulp en zorg nodig
30: Ernstig invalide, opgenomen in ziekenhuis, geen onmiddellijke levensbedreiging
20: Erg ziek, actieve ondersteunende behandeling nodig
10: Moribund, snel progressieve fatale processena
Bron: www.oncoline.nl

Katz – schaal voor basale activiteiten dagelijks leven (ADL en IADL)
Bron: www.geriatrie.be

Betekenis in de oncologie
De verminderde mobiliteit bij ouderen maakt dat bijvoorbeeld een radiotherapeutische behandeling bij een alleenstaande oudere met een beperkte mobiliteit door artrose zonder eigen vervoer een probleem kan worden.
Een behandeling met chemotherapie en geforceerde diurese maakt een frequente toiletgang noodzakelijk. Wanneer er sprake is van een verminderde mobiliteit, een verminderde conditie door de chemotherapie en een frequente toiletgang levert dit een groot risico op voor vallen. In het ziekenhuis zal hier rekening mee gehouden moeten worden. (Zie interventies.) Bij een veelheid aan problemen ten gevolge van een chemotherapeutische behandeling en andere somatische aandoeningen, zoals bijvoorbeeld naast vermoeidheid, lage trombocyten en diarree, pijnklachten wegens artrose en het gebruik van antistolling in verband met hartritmestoornissen, zal het valrisico groter worden. De complicaties van eventueel een valpartij kunnen gezien de hoeveelheid aan problemen dan ook desastreuzer zijn.

Een chirurgische behandeling vraagt postoperatief een actief mobiliteitsprogramma om allerlei complicaties te voorkomen. Het opstellen van een dagprogramma zou kunnen helpen, maar ook goede pijnstilling, optimale voeding en extra fysiotherapie zijn mogelijk geïndiceerd bij de oudere patiënt. Reeds bestaande immobiliteit kan een belangrijk criterium zijn om mee te nemen in de beslissing of deze behandeling wel kan. De revalidatie na de ingreep kan veel langer duren.

Interventies
Eenvoudige interventies die mogelijke valpartijen kunnen voorkomen en de mobiliteit vergroten zijn:

De standaardverpleegplannen met betrekking tot immobiliteit zijn door de projectgroep samengesteld uit diverse literatuur, richtlijnen en protocollen. Er is o.a. gebruik gemaakt van de protocollen die gehanteerd worden in Medisch Centrum Alkmaar, afdeling geriatrie. Klik hier om de standaardverpleegplannen te lezen.